Wie aan landschap denkt, denkt aan weilanden, rivieren en luchten. Maar de stad is óók landschap. De Utrechtse grachten hebben alles wat een schilder zoekt: water dat het licht vangt, gevels die eeuwen geduld uitstralen, en bruggen die het beeld vanzelf een compositie geven. De Nieuwegracht op een stille ochtend is voor mij net zo goed een landschap als de Kromme Rijn bij Bunnik.
Schilderen in de stad vraagt wel iets anders van je. Buiten in het veld ben je alleen met de wind en de wolken; op de gracht kijken mensen over je schouder, fietsen er studenten rakelings langs je ezel en verandert het licht tussen de gevels sneller dan je denkt. In het begin vond ik dat lastig. Inmiddels hoort het erbij. Een praatje met een voorbijganger dwingt je even afstand te nemen van je doek, en vaak zie je daarna scherper wat er nog moet gebeuren.
Het water is de grote uitdaging. Grachtenwater is zelden blauw: het is groen, bruin, grijs, soms bijna zwart onder een brug, en dan ineens vol trillend licht waar de zon een gevel raakt. Ik probeer de spiegeling niet letterlijk na te tekenen maar te vangen in een paar besliste toetsen. Een reflectie die te precies is, wordt stijf; een reflectie die net iets te los is, gaat leven. Dat evenwicht zoeken is misschien wel het mooiste deel van het werk.
En dan de bruggen. De Gaardbrug, de Bakkerbrug — ik heb ze allebei geschilderd en ik blijf ernaar terugkeren. Een brug geeft het schilderij diepte: het donker onder de boog, het licht erachter, de werf die eronderdoor loopt. De oude werfkelders met hun deuren en trapjes vertellen bovendien een verhaal dat je in geen weiland vindt. Hier wordt al eeuwen geleefd, gewerkt en aangelegd, en dat voel je in elke steen.
Toch neem ik uit de stad hetzelfde mee als uit het buitengebied: de les dat je moet kijken zonder haast. De grachten veranderen met elk seizoen en elk uur van de dag. Het najaarslicht dat laag over het water strijkt, de kale bomen die hun takken in het water spiegelen, een enkele roeier die het beeld heel even in beweging brengt. Wie langzaam kijkt, ziet dat de stad nooit twee keer hetzelfde is. En zolang dat zo is, blijf ik er met mijn verfkist naartoe gaan.



